In groepen in veenmos van hoogveen en veenmosrietland, ook in hooilanden. Algemeen, voornamelijk in de duinen en op de hoge zandgronden.
Vruchtlichamen mycena-achtig. Hoed 10-35 mm, eerst kegel- of halfbolvormig, uitspreidend tot gewelfd of afgeplat, met umbo, diep doorschijnend gestreept, geeloker tot okerbruin, later ook met olijftinten, verblekend bij uitdroging, glad, kaal, kleverig bij vocht. Plaatjes vrij dicht opeen, uitgebocht aangehecht, bleek geelgrijs tot vuilgeel, dan grijsbruin met gelijk gekleurde, gave snede. Steel 25-150 x 1,5-5 mm, geelwit, dan vanaf de basis roodbruin wordend, met vluchtige vezelige velumresten als een gordijn tussen de steel en de hoed. Geur onbeduidend. Smaak bitter. Sporen 9,5-13,5(-15,5) x 5,5-7,5(-8,0) µm, Q = 1,5-2,1, ellipsvormig tot langwerpig, bleekbruin met kleine, soms onduidelijke kiempore. Chrysocystiden alleen op de zijden van de lamel.
Bezoekadres & postadres
Toernooiveld 1
6525 ED Nijmegen
info@paddenstoelenonderzoek.nl
ANBI-stichting
Paddenstoelenonderzoek Nederland is een ANBI-stichting en maakt onderdeel uit van Stichting Natuur Onderzoek Nederland.