Saprotroof op oude en stammen van Eik, zelden op andere boomsoorten, in bossen op voedselarme tot voedselrijke bodem. Algemeen in de duinen en op de hoge zandgronden. Augustus-september. Deze soort vertoont een stagnerend trend na een lichte opleving in de jaren negentig.
Een in dichte bundels groeiende Mycena, in het rotte hout wortelend, met een 2-4 cm brede, aanvankelijke kegel- tot klokvormige, dan uitspreidende hoed, meestal met een opvallende papil, glad, kleverig, glanzend, grijs- tot roodbruin, doorschijnend gestreept van de rand tot het centrum, met een overstekende getande rand. Plaatjes dun, aangehecht tot aflopend, wit dan licht roze. Steel tot 15 cm lang en 0,5 cm breed, stevig, cilindrisch of naar de basis verdikt, met vrijwel witte top, naar de basis geleidelijk donkerder oranjebruin, jong met een fijne, poederige of fijn vezelige bekleding, dan kaal en glanzend. Geur en smaak sterk melig. Sporenfiguur wit. De dichte bundels, oranjebruine, gladde steel en sterke meelgeur zijn doorslaggevende kenmerken voor deze soort. Jonge exemplaren kunnen verward worden met de eveneens op hout groeiende Streepsteelmycena (M. polygramma) maar die heeft geen meelgeur. De Gevlekte mycena (Mycena maculata) heeft ook geen meelgeur
Bezoekadres & postadres
Toernooiveld 1
6525 ED Nijmegen
info@paddenstoelenonderzoek.nl
ANBI-stichting
Paddenstoelenonderzoek Nederland is een ANBI-stichting en maakt onderdeel uit van Stichting Natuur Onderzoek Nederland.