Soortenbank

Gele ridderzwam

-

Tricholoma equestre

Gele ridderzwam

Ecologie en verspreiding

Ectomycorrhizapartner van Grove en Zwarte den, vooral in jonge naaldbossen en bij opslag van jonge boompjes op droge, zure tot neutrale, zeer voedselarme en humusarme zandgrond. Vaak in open zand van zandverstuivingen en duinen. Matig algemeen in de duinen en op de hoge zandgronden. September-december. Na een sterke achteruitgang in de jaren tachtig en negentig lijkt de soort zich te herstellen.

Herkenning

Een vrije grote Ridderzwam, alleenstaand of in groepen, vaak deels in het zand verzonken. Hoed 5-13 cm breed, stomp kegelvormig tot geweld, dan uitspreidend met ingerolde hoedrand, vaak met een bult, geel met een geel- tot olijfbruin tot roodbruin centrum, met, vooral in het centrum, donkere, aanliggende schubjes, bij vocht kleverig en glanzend, vaak met aangekleefde zandkorreltjes. Plaatjes breed, uitgebocht aangehecht, zwavel- tot citroengeel. Steel 5-10 x 1-3 cm, cilindrisch, bleekgeel met bruine vezeltjes. Vlees witachtig geel. Geur en smaak zwak melig. Sporenfiguur wit. Goed gekarakteriseerd door de gele plaatjes. Een dubbelganger die bij Populier op klei groeit is de Gele populierridderzwam (T. frondosae) die recent in Nederland is aangetroffen. Verwisseling is onmogelijk door het verschil in habitat. De Narcisridderzwam (T. sulphureum), die ook enigszins op de Gele ridderzwam lijkt, groeit in loofbossen, vnl. bij Beuk en Eik, en heeft een karakteristieke, sterke, onaangename gasgeur.

Verspreiding