Soortenbank

Groene glibberzwam

-

Leotia lubrica

Groene glibberzwam

Ecologie en verspreiding

Tot voor kort werd aangenomen dat de Groene glibberzwam een saprotrofe leefwijze had, er zijn echter sterke aanwijzingen uit de recente literatuur dat deze soort een vorm van mycorrhiza heeft (ecto- of ericoid). Bij (oudere) loofbomen in loof- en gemengde bossen en in lanen op voedselarme tot matig voedselrijke zand- en leembodem, meestal tussen mossen en vaak op steile kantjes van heuveltjes, houtwallen, slootkanten en greppels. Juli-november. De soort is vrij algemeen in de duinen en op de hoge zandgronden. De trend vanaf 1965-1984 vertoonde een sterke daling, na 1994 is deze weer stijgend.

Herkenning

Een vrij kleine zakjeszwam met gesteelde vruchtlichamen, meestal in dichte groepen. Tot 6 cm hoog, bestaande uit de cilindrische steel die aan de top verbreed is tot een 10-3,5 cm brede “hoed”, die onregelmatig gegolfd of gelobd is met een naar beneden gebogen rand, wasachtig aandoend, geelgroen tot olijfgroen, soms blauw verkleurend, glanzend, glad en glibberig. Onderzijde van de hoed glad of met enkele plooien met dezelfde kleur als de bovenkant. Steel vaak iets afgeplat, citroengeel tot oranjegeel, ruw door groene korreltjes. Vlees in hoed gelatineus, stevig, groenig; in de steel geel. Geur en smaak onopvallend. Goed herkenbaar door de vorm en kleur en glibberige oppervlak van de vruchtlichamen.

Verspreiding