Soortenbank

Kaal veenmosklokje

-

Galerina hybrida ("tibiicystis")

Kaal veenmosklokje

Ecologie en verspreiding

Het Kaal veenmosklokje komt vrij zeldzaam in Nederland voor in de levende veenmosvegetatie van laagveenmoerassen, berkenbroekbossen en wilgenmoerassen en in mindere mate in hoogveengebieden van Noord- en Zuid-Holland, Utrecht, Overijssel en Drenthe. In laatstgenoemde provincie is de soort regelmatig aangetroffen tijdens de inventarisaties voor de Drentse Atlas (zie literatuur). Ook is hij gemeld uit de kalkrijke duinen en verschijnt hij vooral in de zomer en vroege herfst (juni tot half oktober).

Herkenning

Microscopische controle vereist

Het Kaal veenmosklokje is een voor mosklokjes relatief forse soort met een donkere oker- tot roodbruine, diep gestreepte hoed die wel tot 3 cm doorsnee kan hebben en een geheel fijn bepoederde steel zonder ring of duidelijke velumresten. De naam tibiicystis is die van een van oorsprong Noord Amerikaanse soort, die tot voor kort ook gebruikt werd voor deze sterk daarop lijkende Europese soort. Recent onderzoek heeft echter uitgewezen dat de Noord-Amerikaanse G. tibiicystis verschilt van de Europese, die daarom nu eigenlijk G. hybrida moet heten. Om praktische redenen zullen we voor dit onderzoek de Standaardlijst volgen en het over G. tibiicystis hebben. Inmiddels is ook bekend geworden op grond van moleculair en morfologisch onderzoek, dat in het complex van deze soort een tweede soort schuilgaat, nl. G. mairei.
Tot nu zijn deze soorten in Nederland niet onderscheiden en behandelen we G. tibiicystis als een zgn. sensu lato soort.

Gedetailleerde beschrijving (naar de Haan & Walleyn, 2006): Hoed 10-30 mm, klokvormig dan gewelfd met kleine tot soms heel uitgesproken umbo, warm okerbruin met donker bruin centrum, hygrofaan, bij opdrogen duidelijk bleker wordend, doorschijnend gestreept tot 2/3 van de straal, glad tot fijn vezelig. Lamellen vrij ver uiteen, smal tot breed aangehecht met aflopend tandje, bleek oker dan roestbruin met blekere, gewimperde snede. Steel 80-100 x 1,5-2 mm, bleek okerbruin, dan donkerder okerbruin, geheel fijn behaard, zonder velumresten of ring, aan de voet vergroeid met het Veenmos. Geur geen. Smaak zwak radijsachtig. Sporen 9-10(-11.5) x 4.5-6.5 μm, grof wrattig. Cheilocystiden kegelvormig met duidelijk afgescheiden knop.

Verspreiding