Soortenbank

Modderzwavelkop

-

Hypholoma subericeum

Modderzwavelkop

Ecologie en verspreiding

In groepen op kale, zwarte veenbodem, tussen riet, ook in veenmosrietlanden. Vrij algemeen op moerassige plekken op de zandgronden en het laagveengebied.

Herkenning

Vruchtlichamen mycena-achtig. Hoed 10-40(-50) mm, klok- tot kegelvormig, uitspreidend tot gewelfd met umbo, niet doorschijnend gestreept, vuil roodbruin, vaak geelbruin naar de rand toe, verblekend bij uitdroging, glad, kaal, iets kleverig bij vocht. Plaatjes vrij dicht opeen, uitgebocht aangehecht, beige dan grijsbruin or lijfbruin, met purperen tint, met witte, gewimperde snede. Steel 20-80 x 1-4,5 mm, bleek roze-geel tot geel, bij ouder worden vanaf de basis donkerder wordend tot grijsbruin or roodbruin, bepoederd aan de top, daaronder met witte vezelige bekleding. Geur onbeduidend. Smaak iets melig-ranzig. Sporen (6.5-)7,0-9,0 x 4,0-5,5(-6,0) µm, Q = 1,4-1,9, eivormig-langwerpig, met verdikte bruine wand met iets violette tint, glad, met duidelijke apicale kiempore. Chrysocystiden alleen op de zijden van de lamel.

Verspreiding