Saprotroof op slecht verteerd strooisel van naalden en bladeren (Eik), strooisel van Dop- en Struikheide, ook op twijgjes, soms op dood gras, in naald- en loofbossen op voedselarme, vochtige en droge bodems, in heidevelden en in schrale graslanden. Zeer algemeen, voornamelijk op de hoge zandgronden, in de duinen en Zuid-Limburg. Juni-december. Sinds de jaren zeventig gestaag achteruitgegaan onder invloed van vermesting en verzuring.
Een klein, tenger paddenstoeltje met een haardunne, stijve, donker roodbruine tot zwarte, gladde, glanzende steel (“paardenhaar”) tot 7 cm lang en 1-4 mm dik, een 0,4-2 cm breed hoedje, eerst gewelfd dan uitgespreid tot vlak, vaak met ingedrukt centrum, roze- tot chocoladebruin, zwak gevoord, droog en kaal. Plaatjes aangehecht, vrij ver uiteen, bleekroze tot rozebruin. Steel aan de voet vaak met zwarte myceliumstrengen (rhizomorfen). Het paardenhaarachtig steeltje is een goed kenmerk voor dit onopvallend paddenstoeltje. Hij kan worden verward met de Witte paardenhaartaailing (Marasmius quercophilus) maar die heeft een lichtere hoed, een roodbruine steel met een lichte top en groeit alleen op blad van loofbomen. Verwarring is ook mogelijk met de Sparrenstinktaailing (Gymnopus perforans), maar die groeit uitsluitend op naalden van Fijnspar, heeft een behaarde steel en bovendien een doordringende geur van rotte kool. Het Wieltje (Marasmius rotula), tenslotte, heeft een witte tot vuilwitte hoed en een collarium, een kokertje om de steel waar de plaatjes aan gehecht zijn.
Bezoekadres & postadres
Toernooiveld 1
6525 ED Nijmegen
Tel. 024 741 0630
info@paddenstoelenonderzoek.nl
ANBI-stichting
Paddenstoelenonderzoek Nederland is een ANBI-stichting en maakt onderdeel uit van Stichting Natuur Onderzoek Nederland.