Soortenbank

Paarse schijnridderzwam

-

Lepista nuda

Paarse schijnridderzwam

Ecologie en verspreiding

Saprotroof, in groepen of heksenkringen op humus en strooisel in voedselrijke, stikstofrijke bodems in loof- en naaldbossen, lanen, graslanden en op ruigten. Zeer algemeen in het hele land. Juni-december. Deze stikstofminnende soort is na de jaren zeventig sterk toegenomen, maar lijkt nu te stabiliseren. Wel vertoont de trend grote schommelingen.

Herkenning

Een vrij forse plaatjeszwam met het postuur van een ridderzwam, met een opvallende paarsviolette kleur in het hele vruchtlichaam. Hoed tot 10 cm doorsnee, snel uitspreidend tot min of meer vlak met vlak of uiteindelijk iets verdiept centrum, hygrofaan, paars-violet tot violetbruin of meer roodbruin met violette tint, sterk verblekend bij uitdroging tot rozebruin of okerbruin, glad en kaal, iets vettig aanvoelend, rand niet doorschijnend gestreept. Plaatjes smal of uitgebocht aangehecht, tamelijk dicht opeen, paars tot violet dan lilabruin, later verblekend tot gelig of grijzig zonder violette tint. Steel 3-8 x 0,5-2,5 cm, cilindrisch of iets verdikt naar de basis, paars, violet, violetbruin of violetgrijs, ongeveer gekleurd als hoed, maar bleker lijkend door de witte vezelige bekleding, aan de voet met violet myceliumvilt. Vlees vrij stevig, met dezelfde kleur als het oppervlak of lichter, binnenin de hoed witachtig. Geur zwak, aangenaam zoetig, naar bloemen; smaak mild, iets nootachtig of zwak melig. Sporenfiguur bleekroze. Normaal ontwikkelde, verse vruchtlichamen zijn gemakkelijk herkenbaar aan de paarse kleur. Tengere vormen lijken wat op de Vaalpaarse schijnridderzwam (L. sordida). Die heeft echter een grijs- tot roodbruine hoed en grijsachtig roze tot rozebruine plaatjes en een steel zonder violette tint. De Paarssteelschijnridderzwam (L. saeva) heeft een paarse steel, maar de hoed en de plaatjes hebben geen paarsviolette tinten.

Verspreiding