Ectomycorrhizapartner van diverse loof- en naaldbomen. Het meest bij Berk, maar ook vaak bij Eik, minder vaak bij andere loofbomen en coniferen in droog tot zeer vochtig bos en struweel. Augustus-november. Zeer algemeen, vooral in de duinen, de hoge zandgronden en in Zuid-Limburg. Staat bekend als redelijk stikstoftolerant, de trend is stabiel.
Een kleine melkzwam met een rozebruin of geelbruin hoedje, dat vaak, maar niet altijd, gerimpeld is in het centrum. De plaatjes en steel hebben ongeveer dezelfde kleur. De milde melk is wit, en kleurt op een wit papiertje of zakdoek geel in enkele minuten. De sporenfiguur is wit. Kan worden verwisseld met de Bitterzoete melkzwam (L. subdulcis) die een vreemde, wat rubberachtige geur heeft en waarvan de melk niet verkleurt, en die meest groeit in beukenblad. De Greppelmelkzwam (L. lacunarum) is iets levendiger van kleur en groeit alleen op heel natte plaatsen, vaak onder Eik.
Ter vergelijk:

Greppelmelkzwam – foto Henk Huijser
Bezoekadres & postadres
Toernooiveld 1
6525 ED Nijmegen
info@paddenstoelenonderzoek.nl
ANBI-stichting
Paddenstoelenonderzoek Nederland is een ANBI-stichting en maakt onderdeel uit van Stichting Natuur Onderzoek Nederland.