Soortenbank

Veenmosgrauwkop

-

Lyophyllum (Tephrocybe) palustre

Veenmosgrauwkop

Ecologie en verspreiding

In Nederland komt deze soort voor in hoogvenen, trilveen en veenmos-rietland, maar ook op andere natte of vochtige plaatsen waar veenmos groeit, zoals oevers van vennen en natte heiden op de pleistocene zandgronden. Het is een parasiet op veenmossen, wat je in het veld vaak goed kunt zien aan de (gedeeltelijk) afgestorven, bleek geworden veenmossen rondom de groeiplaats. Hij komt voor van half mei tot in oktober.

Herkenning

Gedetailleerde beschrijving (Funga Nordica): Hoed 10-30 mm breed, gewelfd tot uitgespreid, soms iets ingedeukt of met kleine umbo, hygrofaan, grijsbruin met een blekere rand, doorschijnend gestreept, glad. Plaatjes uitgebocht aangehecht, smal, bleek grijs, met gelijkgekleurde snede. Steel 40-80 x 1-3 mm, cilindrisch, bruingrijs, vaak donkerder aan de voet, glad. Geur ranzig, als komkommer. Smaak ranzig. Sporen 5,5-8 x 3,55 μm, ellipsoid tot eivormig, glad, dunwandig.

De Veenmosgrauwkop is een onopvallend grijsbruin paddenstoeltje met een kleine, doorschijnend gestreepte hoed, smal aangehechte lamellen en een sterke ranzige meelgeur, waaraan hij goed te herkennen is in combinatie met het voorkomen tussen levende veenmossen. Dit is daarom een gemakkelijke soort om te monitoren.

Verspreiding